Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Toelating master

Zaaknummer AC 1608 11388: Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Verweerster heeft het verzoek van appellant om toelating tot de masteropleiding Fiscaal recht: Internationaal en Europees belastingrecht afgewezen.

Het College is van oordeel dat, anders dan verweerster stelt, de WHW niet in de weg staat aan het toelaten van appellant tot een juridische master, op grond van zijn bacheloropleiding Economie en Bedrijfskunde. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit, want een en ander laat onverlet dat verweerster nadere eisen, naast een voltooide bacheloropleiding, kan stellen aan de toelating tot een masteropleiding. Deze nadere toelatingseisen zijn vastgelegd in de OER.

Niet in geschil is dat appellant niet beschikt over een juridisch bachelordiploma zoals bedoeld in artikel 2.1a van de OER dan wel over een afgerond schakelprogramma. Voorts acht het College het standpunt van verweerster dat niet is te toetsen of appellant daadwerkelijk over de vereiste kennis beschikt, niet onredelijk. Appellant heeft elders een aantal juridische vakken gevolgd, waarvan niet is vast komen te staan of deze gelijkwaardig zijn aan de vakken die bij deze faculteit worden aangeboden en tot de vereiste kennis hebben geleid.
Het College is van oordeel dat er geen sprake is van een aantoonbare onredelijkheid van overwegende aard. Appellant heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij binnen twee maanden zal voldoen aan de formele toelatingseisen waardoor een voorwaardelijke inschrijving gerechtvaardigd zou zijn. Het College is van oordeel dat het instellingsbestuur de bevoegdheid heeft om nadere toelatingseisen te stellen en dat het handhaven hiervan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een onredelijkheid van overwegende aard.
Voorts is het College niet gebleken van omstandigheden die nopen tot het toepassen van de hardheidsclausule.

Beroep ongegrond.

AC 1608 11388

Zaaknummer AC 1410 7616: Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Weigering van het Hoofd van de Centrale Studentenadministratie namens het CvB om de aan appellant voorlopig toegekende toelatingsverklaring voor de master Informatierecht definitief te maken.

Niet in geschil is dat appellant voorwaardelijk is toegelaten tot de selectieve masteropleiding Informatierecht, zoals bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid, van de OER. Appellant diende op grond van deze bepaling uiterlijk op de begindatum van de opleiding, 1 september 2014, te voldoen aan de in artikel 2.1 bedoelde eisen ten aanzien van kennis en vaardigheden, zoals die blijken uit getuigschriften van door hem gevolgde opleidingen.
Hoewel het College van oordeel is dat appellant had kunnen en moeten weten dat zijn bachelordiploma vereist was om zijn inschrijving in de masteropleiding definitief te maken, mocht appellant vertrouwen op de toestemming van zijn scriptiebegeleider en op de mededelingen van de onderwijsbalie dat zijn cijfer voor 1 oktober 2014 geregistreerd diende te zijn. Het College is voorts van oordeel dat het niet voor rekening van appellant behoeft te komen, mede gelet op de zwaarwegende belangen van appellant bij definitieve toelating tot de master, dat zijn bacheloressay niet voor 1 september 2014 is beoordeeld en het cijfer daarvan niet tijdig geregistreerd is.

Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval acht het College het niet redelijk dat appellant geen definitieve toelating tot zijn masteropleiding heeft gekregen. Het College draagt verweerster op om ervoor zorg te dragen dat appellant definitief wordt ingeschreven in de masteropleiding Informatierecht.

Beroep gegrond.

AC 1410 7616 2014